Deze wilg is een lage heester met onderaardse stam, kruipend, soms uitgebreide vlakten bedekkend. De takken staan rechtop, zijn dun, de jonge behaard of viltig, de oudere kaal, bruin of bij zeer oude heesters geel.

De bladeren zijn klein, rondachtig-eirond of smal-elliptisch tot langwerpig-lijnvormig (1:1 à 10), spits of met een korte rugwaarts-gekromde spits of lang-toegespitst, aan de rand teruggebogen of vlak, gaafrandig of soms met kleine tandjes, eerst aan weerszijden zijdeachtig-behaard (de haren liggen in de richting van de middennerf), later zeldzaam aan weerszijden, meestal alleen vanonder zijdeachtig-behaard of aan weerszijden kaal wordend, vanboven iets glanzend, dof- of vuilgroen, vanonder bleek- of grijsgroen. Steunbladeren zijn meestal alleen aan de loten aanwezig, zij zijn elliptisch of smal-lancetvormig.

 

De katjes zijn zeer kort of iets langer gesteeld, de mannelijke zijn eirond tot kort-cilindrisch (1:1 à 2), de vrouwelijke bijna bolrond tot langwerpig-eirond of langwerpig-cilindrisch (1:1 à 4), meestal dichtbloemig. De katjesschubben zijn naar boven zwartachtig of zwartpurper, aan weerszijden behaard. De klier is klein, langwerpig of langwerpig-eirond, afgeknot.

in de mannelijke bloemen zijn de meeldraden kaal, de knopjes eerst roodachtig, daarna geel en na het stuiven zwartachtig. In de vrouwelijke bloemen is het vruchtbeginsel gesteeld (de steel is 2-3 maal zo lang als de klier), klein, kegelvormig, stomp, later bijna cilindrisch-verlengd, grijsviltig (zelden kaal), later kaler wordend. De stijl is meestal kort of ontbreekt, de stempels zijn korter of langer, ongedeeld of meer of minder gespleten, geel of roodachtig. 1,5 dm-1 m. April, mei.

Laatste Posts